U bent als handelsvergunninghouder wettelijk verplicht meldingen van bijwerkingen in te dienen bij de geneesmiddelenautoriteiten. Er zijn gedetailleerde instructies over wat u moet indienen en hoe dit moet gebeuren.

Meldingen afkomstig uit compassionate / named patient use

In Nederland moeten meldingen van mogelijke bijwerkingen actief worden verzameld voor geneesmiddelen die binnen een compassionate use programma of op artsenverklaring (named patient) worden gebruikt.

Wanneer u als handelsvergunninghouder, of aanvrager van een handelsvergunning, kennis neemt van een bijwerking van uw geneesmiddel dat binnen een ‘compassionate use programma’ wordt gebruikt, moet u de richtsnoeren in GVP Module VI volgen. Meldingen waarbij vermoedelijk een causaal verband bestaat met het geneesmiddel (zoals beoordeeld door de primaire melder, of door de aanvrager/vergunninghouder) moet u naar EudraVigilance sturen.

Voor geneesmiddelen die worden gebruikt op basis van een artsenverklaring gelden de rapportageverplichtingen zoals gepubliceerd op de website van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De rechtspersoon die van de IGJ toestemming heeft gekregen een geneesmiddel zonder handelsvergunning af te leveren op artsenverklaring (gevestigd apotheker, apotheekhoudende huisarts, groothandel of fabrikant) meldt een vermoedelijke bijwerking aan het Bijwerkingencentrum Lareb. Deze melding moet ook naar het betrokken farmaceutische bedrijf van het geneesmiddel worden gestuurd. Lareb zal meldingen doorsturen naar EudraVigilance. De meldingen hoeven dus niet naar EudraVigilance te worden gestuurd door degene die toestemming heeft gekregen om het geneesmiddel zonder handelsvergunning op artsenverklaring te mogen afleveren of  door het betrokken farmaceutische bedrijf.

Meldingen uit de literatuur

U moet als handelsvergunninghouder een strategie hebben voor het actief monitoren op gemelde bijwerkingen in de medische literatuur. Het CBG en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hebben geen lijst beschikbaar met (lokale) literatuur waarin gezocht moet worden. Wat u moet monitoren verschilt namelijk per type product, indicatie(s) voor gebruik, en geografisch gebied.

Monitoren door handelsvergunninghouder

Voor het actief monitoren van gemelde bijwerkingen in de medische literatuur kunt u onder andere gebruik maken van:

  • Standaard internationale literatuurzoekdatabases, zoals Medline en Embase
  • 'Standaard'  lokale medische publicaties. Voor Nederland zijn dit onder meer Pharmaceutisch Weekblad, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Geneesmiddelenbulletin en Medisch Contact.  De lokale publicaties moeten in ieder geval deel uitmaken van uw strategie. moeten altijd worden opgenomen in uw strategie met betrekking tot het zoeken naar literatuur.
  • Afhankelijk van het product (bijv. kruidengeneesmiddel) en/of indicatie (bijv. cardiovasculair) zijn mogelijk ook andere lokale publicaties relevant.

Het CBG adviseert  om de rationale van uw strategie vast te leggen, zodat inzichtelijk is op welke gronden deze tot stand is gekomen.

Voor literatuurmeldingen die u indient bij EudraVigilance hoeft u het gepubliceerde artikel niet standaard als bijlage mee te sturen.

De EMA is verantwoordelijk voor het monitoren van een aantal stoffen en geselecteerde medische literatuur om vermoedelijke bijwerkingen vast te stellen bij geneesmiddelen die zijn geregistreerd in de EU en voor het invoeren van de relevante informatie in de EudraVigilance-databank. Daarom hoeft u als handelsvergunninghouder vermoedelijke bijwerkingen niet te melden aan EudraVigilance als die voorkomen in de genoemde medische literatuur die door de EMA wordt gemonitord.

Voor het monitoren van wetenschappelijke en medische literatuur is een gedetailleerde richtlijn ontwikkeld. Deze vindt u  in GVP-module VI, bijlage 2.

ADR verplichtingen op basis van farmacovigilantie wetgeving

Individual Case Safety Reports (ICSR’s) afkomstig uit Nederland moet u direct naar de EMA EudraVigilance-databank sturen (Organisation Identifier: EVHUMAN).

  • Voor ernstige ICSR’s: moeten worden verstuurd binnen 15 dagen nadat u kennis heeft genomen van de melding.
  • Niet-ernstige ICSR’s: binnen 90 dagen nadat u van de melding weet.

U levert de elektronische indiening bij EudraVigilance in een ICH E2B(R2) bericht of in een ICH E2B(R3) bericht. Uw melding wordt vanuit EudraVigilance automatisch doorgestuurd naar de betreffende nationale registratieautoriteiten.

Als handelsvergunninghouder moet u zich  houden aan de verplichtingen voor het vastleggen en rapporteren van meldingen van vermoedelijke bijwerkingen (ADR’s; Adverse Drug Reactions) zoals beschreven in de Guideline on good pharmacovigilance practices Module VI – Collection, management and submission of reports of suspected adverse reactions to medicinal products (Rev 2). Bovendien geldt:

  • Nederlandse meldingen mogen zowel in de Nederlandse als in de Engelse taal worden gedaan.
  • Als door technische problemen indiening bij EudraVigilance tijdelijk niet mogelijk is, volg dan  de instructies van de EMA. Het is niet nodig om het CBG hierover apart te informeren.

De rapportageverplichtingen over het melden van vermoedelijke bijwerkingen vindt u in Verordening (EG) nr. 726/2004 en Richtlijn 2001/83/EG.

Lareb meldingen

Het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb beheert in opdracht van het CBG het landelijke spontane meldsysteem en stuurt de meldingen door naar EudraVigilance. De Lareb-meldingen (zowel ernstig als niet-ernstig) kunt u als handelsvergunninghouder ophalen via EudraVigilance in een ICH E2B(R3)-bericht.

Om de juiste toegangsrechten te verkrijgen moet u er voor zorg dragen dat uw ‘EudraVigilance User Registration’ in orde is. Bovendien is het essentieel dat uw gegevens in de Art.57 databank compleet en actueel zijn. Raadpleeg de EudraVigilance-sectie op de EMA-website voor meer informatie.

Lareb-meldingen zijn ‘regulatory reports’ en hoeft u dus niet nogmaals in te dienen  bij de EudraVigilance-databank.