Algemeen en gebruik
In een vlooienmiddel zit een stof die vlooien en teken doodt of weghoudt. Als een vlo of teek in contact komt met het bloed, de huid of vacht, gaat het insect dood of blijft het weg. Het hangt van het middel af hoe vaak je het moet gebruiken.
Vlooienbandjes, druppels en tabletten helpen allemaal tegen vlooien en teken bij huisdieren. Maar ze verschillen in gebruik, werking en duur van bescherming. Hieronder alle kenmerken per middel op een rij:
|
Vlooienbandjes |
Tabletten |
Druppels | |
|
Gebruik |
Bandje om hals |
Inslikken via de bek |
Op de huid, meestal in de nek |
|
Bandje geeft langzaam een werkzame stof af die werkt op zenuwstelsel van vlooien |
Pil werkt van binnenuit. Vlooien en teken gaan dood bij het bloed zuigen. |
Werkzame stof verspreid zich via het huidvet over hele lichaam. De stof werkt op zenuwstelsel van vlooien. | |
|
Duur van bescherming |
+/- 7-8 maanden |
+/- 4-12 weken |
+/- 4-12 weken |
|
Belangrijke informatie |
Niet geschikt voor honden die veel zwemmen. Of honden die aan bandje kunnen kauwen. |
Geschikt voor dieren die veel zwemmen. |
Belangrijk om het dier kort na gebruik van de druppels niet aan te raken, |
Het verschilt per vlooienmiddel voor welk dier het geschikt is.
Er zijn veel verschillende tabletten, druppels en vlooienbandjes. Voor al deze middelen is het belangrijk dat er verschillende soorten zijn voor de verschillende dieren. Zo mag je bijvoorbeeld vlooienmiddelen voor honden niet zomaar ook aan een kat, konijn of cavia geven. Het is belangrijk om vlooienmiddelen nooit door elkaar te gebruiken én niet bij jonge of zieke dieren. Gebruik het vlooienmiddel alleen bij de diersoort waarvoor het bedoeld is.
Voordat een vlooienmiddel op de markt mag komen, moet het een handelsvergunning krijgen. Dit gebeurt volgens Europese regels (Verordening EU 2019/6). Het Bureau Diergeneesmiddelen (BD) van het aCBG beoordeelt of het middel voldoet aan de eisen voor werking, veiligheid, kwaliteit . Alleen middelen waarvan de voordelen groter zijn dan de risico’s, worden toegelaten.
Ook na toelating blijft BD de veiligheid volgen. Als er problemen zijn, kan de bijsluiter worden aangepast of kan de vergunning tijdelijk worden stopgezet.
De uiteindelijke handelsvergunning wordt verleend door de minister van LVVN, op advies van de onafhankelijke Commissie toelating diergeneesmiddelen (Ctd). De Ctd baseert dit advies op de beoordeling van Bureau Diergeneesmiddelen van het aCBG.
-
De meest voorkomende bijwerkingen van vlooienmiddelen zijn huidirritatie en jeuk. In zeldzame gevallen kunnen dieren last krijgen van maagdarmklachten of ernstigere klachten, zoals problemen met het zenuwstelsel of vergiftiging.
Meer informatie over de bijwerkingen van vlooienmiddelen vind je in de bijsluiter. Bijsluiters zijn online te vinden via diergeneesmiddeleninformatiebank.nl.
In de bijsluiter staat waar je bijwerkingen kunt melden. Deze informatie vind je in hoofdstuk 6. Je kunt vermoedelijke bijwerkingen ook altijd melden bij het Bureau Diergeneesmiddelen van het aCBG.
De kans op overlijden is géén bekende bijwerking van vlooienmiddelen. Als dieren toch overlijden kan er sprake zijn van een andere oorzaak. Bijvoorbeeld onderliggend lijden en/of ouderdom.
Het advies verschilt per diergeneesmiddel. Het wordt vastgesteld op basis van gegevens uit verplichte veiligheidstesten. In de bijsluiter van het middel kun je dit advies terugvinden.
Werking en samenstelling
In vlooienmiddelen zitten insecticiden. Deze stoffen zijn gemaakt om vlooien en teken te doden. Ze werken op het zenuwstelsel van vlooien en teken. Het zenuwstelsel van zoogdieren, zoals honden, katten en mensen, is veel minder gevoelig dan dat van vlooien en teken. Daarom gaan de vlo of teek dood, maar het huisdier niet.
Chemische middelen zijn nodig om vlooien en teken te doden of op afstand te houden.
Milieu en duurzaamheid
Voor diergeneesmiddelen en middelen voor de landbouw gelden verschillende Europese regels. Een werkzame stof wordt daarom apart beoordeeld voor elk gebruik. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de stof zelf, maar vooral naar hoe en in welke hoeveelheid deze wordt gebruikt. Door dit verschil in gebruik kan het gebeuren dat een stof niet meer is toegestaan in de landbouw, maar wel veilig gebruikt mag worden in diergeneesmiddelen. Zoals vlooien- en tekenproducten.
Voor elk diergeneesmiddel moet de fabrikant onderzoeken wat de gevolgen zijn voor het milieu. Dit heet een milieurisicobeoordeling (ERA). Deze beoordeling is verplicht volgens Europese wetgeving. In internationale richtlijnen VICH-guideline) staat precies hoe zo’n onderzoek moet gebeuren.
Als uit de beoordeling blijkt dat er risico’s voor het milieu zijn, worden er extra waarschuwingen in de productinformatie (SPC) opgenomen. Bij vlooienbandjes staat bijvoorbeeld vaak dat gebruikte bandjes op een speciale manier moeten worden weggegooid.
Vlooienbandjes bevatten chemische stoffen die slecht kunnen zijn voor het milieu. Daarom mogen ze niet bij het gewone afval. Lever vlooienbandjes in bij de milieustraat van de gemeente of breng ze naar de dierenarts of apotheek.
Gebruik diergeneesmiddelen altijd zoals in de bijsluiter staat. Na het behandelen van je huisdier kunnen er resten van het middel in de haren of ontlasting zitten. Daarom is het belangrijk om losse haren van je hond niet achter te laten in openbare ruimtes, zoals parken, bossen of speeltuinen, en om hondenpoep altijd op te ruimen. Zo help je het milieu te beschermen.
Een milieuvriendelijke optie is het dagelijks gebruiken van een vlooienkam. Daarmee kun je honden en katten vaak vlooienvrij houden zonder medicijnen. Daarnaast is het beter voor het milieu om vlooien- en wormmiddelen alleen te gebruiken wanneer dat echt nodig is: als het dier al besmet is of meer risico heeft op besmetting.
Veiligheid en gezondheid
De fabrikant moet met onderzoek aantonen dat het middel veilig is voor mens en dier. Ook wordt gekeken naar de veiligheid voor gebruikers en omgeving, zoals de dierenarts, de eigenaar en kinderen. Als er risico’s zijn, komen daar duidelijke waarschuwingen of veiligheidsinstructies voor in de bijsluiter. Zijn de risico’s te groot, dan mag het middel niet op de markt komen.
De veiligheid voor mensen die het middel toepassen – zoals de dierenarts of de eigenaar wordt altijd onderzocht. Dit doen we ook voor mensen, kinderen en dieren in de omgeving (zoals andere huisdieren). Met veiligheidstesten wordt bekeken of er mogelijke risico’s zijn. Als dat nodig is, komen er duidelijke waarschuwingen of veiligheidsinstructies in de bijsluiter. Zo zorgen we ervoor dat het gebruik van het middel veilig is voor mens én dier.
Dat verschilt per vlooienmiddel. Als er speciale risico’s zijn voor zwangere vrouwen of vrouwen die zwanger willen worden, staat dit duidelijk vermeld in de bijsluiter.
Gezondheidseffecten op lange termijn
De stoffen in vlooienmiddelen doden of weren vlooien en teken door hun zenuwstelsel aan te pakken. Het zenuwstelsel van mensen is veel minder gevoelig. Dus bij gebruik volgens de bijsluiter is het middel veilig voor de gebruiker en de omgeving.
Bureau Diergeneesmiddelen zorgt ervoor dat een diergeneesmiddel alléén op de markt komen als de voordelen groter zijn dan de risico’s. We beoordelen geneesmiddelen op kwaliteit, werking en veiligheid voor dier, mens en milieu.
Ook na goedkeuring blijven we het middel volgen. Zo nodig passen we de bijsluiter aan, schorsen we de vergunning tijdelijk of trekken we deze in.