Nieuwe medicijnen hoeven niet altijd beter te zijn

CBG reageert op artikel in NRC

Bij het toelaten van nieuwe medicijnen is er volgens statisticus Jan Bogaerts sprake van ‘de illusie van het nieuwe en steeds weer betere medicijn’ (NRC, 20/4) en een poortwachter die een oogje toe zou knijpen. Als voorzitter van het College ter Beoordeling van de Geneesmiddelen (CBG) trek ik mij deze opmerkingen aan. Mijn organisatie is verantwoordelijk voor beoordeling van kwaliteit, werking en veiligheid van medicijnen. Het CBG is streng, maar weegt de patiënt en praktijk mee.

We beperken ons bij markttoelating niet alleen tot medicijnen die beter zijn dan wat er al is. Daarmee zouden we de patiënten duperen. Wat als een patiënt overgevoelig is voor bepaalde hulpstoffen? Of een medicijn niet kan worden gecombineerd met een ander medicijn? Of het medicijn niet geschikt is voor patiënten met nier- of leverproblemen? Dan is het goed dat er keuze is.

Bogaerts stelt terecht dat een gerandomiseerde studie, dubbelblind uitgevoerd, de gouden standaard is. In uitzonderlijke gevallen wordt hiervan afgestapt. Het is maatwerk. We hebben ook de mogelijkheid om een medicijn voorwaardelijk toe te laten. Zodat met extra gegevens opnieuw besloten kan worden.

Nieuwe medicijnen zijn niet altijd beter dan de beschikbare medicijnen en het wetenschappelijk bewijs voor markttoelating is noodgedwongen niet altijd optimaal. Uitspraken zoals “de helft van deze pillen werkt niet” en “een poortwachter die een oogje toe zou knijpen” passen niet bij de zorgvuldige beoordeling van geneesmiddelen en de manier waarop we ook daarna de gunstige en ongunstige effecten volgen.
 

Prof. dr. Ton de Boer

Voorzitter College ter Beoordeling van de Geneesmiddelen