wat zijn de eisen bij de invoer van diergeneesmiddelen?
Als gevolg van de Diergeneesmiddelenwet is het verboden een
diergeneesmiddel, afkomstig van een derde land, in Nederland in het
vrije verkeer te brengen (invoerverbod vermeld in art. 43 van het
Diergeneesmiddelenbesluit.)
Hierbij wordt met een ‘derde land’ bedoeld: afkomstig van buiten
de Europese Economische Ruimte (EER).
Onder het ‘in het vrije verkeer brengen’ wordt
verstaan: het uitvoeren van de handelingen die bij invoer
noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van de douanestatus van
communautaire goederen, als bedoeld in art. 4 van Verordening 2913/92/EG.
Waar in deze tekst ‘invoer’ is vermeld, dient dus te worden
gelezen ‘in het vrije verkeer brengen’.
Vergunningplicht
Zonder een vergunning voor het bereiden is het verboden een diergeneesmiddel afkomstig uit
een derde land in Nederland in het vrije verkeer te brengen.
Ditzelfde geldt voor een diergeneesmiddel afkomstig uit een
derde land, dat in Nederland in het vrije verkeer is gebracht,
door te voeren naar aan een afnemer in een
andere lidstaat.
Bij een voornemen om een diergeneesmiddel in te voeren, dient
men een vergunning voor het bereiden van dit diergeneesmiddel aan
te vragen. Indien de aanvrager voldoet aan de geldende eisen kan
een vergunning worden verleend.
Uitzondering
Het verbod op de invoer van een diergeneesmiddel – en de
vergunningplicht - is niet van toepassing indien:
- een product niet alsdiergeneesmiddel is aan te merken. Dit kan
het geval zijn als niet uit aanduidingen op/aan of bij het
product blijkt dat deze bestemd is om aan dieren te worden
toegediend en een diergeneeskundige claim bevat, valt deze
niet onder het begrip diergeneesmiddel. De invoer van
biologisch en biotechnologisch geproduceerd uitgangsmateriaal -
als bulkproduct ingevoerd - valt echter wél onder de
vergunningplicht.
- een diergeneesmiddel niet afkomstig is vanuit een derde land.
Hiervoor is uitsluitend een vergunning voor het afleveren van
diergeneesmiddelen vereist.
- een diergeneesmiddel vanuit een derde land niet in Nederland in
het vrije verkeer wordt gebracht, maar onder toezicht van de douane
blijft (bijv. in een entrepot).
Vergunningeisen bij invoer vanuit derde landen*
De importeur van een diergeneesmiddel invoert, draagt er zorg
voor dat door of onder verantwoordelijkheid van een deskundige persoon, in Nederland wordt
gecontroleerd dat van elke partij:
- monsters worden genomen die een volledige kwalitatieve en
kwantitatieve analyse van tenminste alle werkzame bestanddelen en
andere controles hebben ondergaan, die nodig zijn om de kwaliteit
van de geneesmiddelen te waarborgen conform art. 6-14 van Richtlijn 91/412 en de
hieruit voortvloeiende GMP richtsnoeren en
artikel 51 – 56 van de
Diergeneesmiddelenregeling.
- de controles worden uitgevoerd voordat de partij in Nederland
wordt afgeleverd. Het verloop en resultaat van de controle in een protocol wordt vastgelegd,
dat wordt gedateerd en getekend door de deskundige persoon.
- Een uit een lidstaat ingevoerde partij van een diergeneesmiddel
dient vergezeld te gaan van een door de deskundige persoon
ondertekend controleverslag, waaruit blijkt dat de partij voldoet
aan de in betrokken lidstaat geldende regels en
registratievoorschriften.
*= Juridische grondslag is Artikel 60 van de
Diergeneesmiddelenregeling. De eisen voor invoer hebben
als doel te waarborgen dat elke partij van een diergeneesmiddel
voldoet aan de Europese vereisten en het registratiedossier in
het land van bestemming.
Dit geldt ook voor diergeneesmiddelen die zijn vrijgesteld van de
registratieverplichting doordat deze bestemd zijn voor export
naar derde landen. Als gevolg van de GMP richtsnoeren dienen
controles en vrijgifte plaats te vinden op basis van een dossier
dat door de Qualified Person (QP) van de importeur is
opgesteld. De fabrikant dient door de deskundige persoon van de
importeur op de GMP eisen te zijn beoordeeld. De fabrikant
dient conform de GMP eisen een kwaliteitscontrole uit te
voeren.
Vergunningeisen bij invoer vanuit derde landen waarmee de EU
een overeenkomst (MRA) heeft gesloten
Tussen de EU en enkele derde landen is – na beoordeling van de
onderlinge kwaliteitssystemen – een overeenkomst (MRA: Mutual
Recognition Agreement) afgesloten, waardoor men de fabrikanten die
een vergunning hebben wederzijds erkent.
Bedoelde derde landen zijn Australië, Nieuw Zeeland, Zwitserland
en Canada. Het gevolg is dat een importeur zich - bij de
batchcertificering voor vrijgifte van een partij - mag baseren
op de analysegegevens van de fabrikant van het
diergeneesmiddel.
Bij invoer vanuit genoemde landen kan ontheffing worden verleend
voor sommige controles, beschreven in par. 7 van
annex 16 van de GMP richtsnoeren. Artikel 61 van de
Diergeneesmiddelenregeling spreekt over de benodigde
aanvraag van een ontheffing door de importeur van een
diergeneesmiddel uit een van bovengenoemde landen. Bedrijven die
een vergunning hebben voor de invoer van een diergeneesmiddel
beschikken standaard over een dergelijke
ontheffing.