proefontheffingen
Om voer met een niet-toegelaten product, dat dient te worden
onderzocht, te mogen produceren en vervoederen, kan (met
uitzondering van de toevoegingsmiddelen uit de groep van de
antibiotica) krachtens de Kaderwet
Diervoeders een proefontheffing worden verleend ten behoeve van
een eerste proefneming, verlenging of wijziging van de
proefneming.
Deze mogelijkheid tot ontheffing is uitgewerkt in artikel 28 van
het Besluit diervoeders en in de artikelen 58 tot
en met 60 van de Regeling diervoeders.
De opbouw van een dossier vereist dat, vooral voor de onderdelen
effectiviteit en de veiligheid voor het doeldier, proeven dienen te
worden uitgevoerd. Deze proeven kunnen, mits ze voldoen aan de
criteria die in de Richtsnoeren (en aanverwante regelgeving) worden
beschreven, op gespecialiseerde onderzoeksinstituten maar ook op
praktijkbedrijven worden uitgevoerd. Voor een beschrijving van de
richtsnoeren zie
'Aan welke vereisten dient een registratiedossier te
voldoen?'
Als het product een Genetisch Gemodificeerd Organisme (GGO)
bevat, kan een aparte vergunning op basis van het Besluit GGO
noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dierproeven. Een
dergelijke vergunning is aan te vragen bij het Bureau GGO van het
Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Wanneer het bovenstaande het geval is, dient informatie te worden
geleverd over de aard en de karakteristieken van het GGO, de wijze
van modificatie, de herkomst van het eventueel ingebrachte
genetisch materiaal en de veiligheid voor mens, dier en milieu.
Deze informatie wordt beoordeeld binnen de kaders van de
relevantie.
In het kader van de proefontheffing wordt getoetst in hoeverre
er versleping ('carry over') plaatsvindt van het niet-toegelaten
product naar de daarop volgende voeders (en spoelcharges) en welke
gevolgen dit heeft voor de veiligheid van mens dier en milieu.
Daarnaast wordt getoetst of de dierlijke producten, afkomstig van
dieren die het niet toegelaten product via de voeding ontvangen,
voor humane consumptie kunnen worden bestemd.
Met name in de gevallen waarin sprake is van een risico van
ongewenste residuen, dient specifiek en adequaat te worden
aangegeven hoe deze worden beheerst (naast de algemene
verslepingsbeheersing, bijv. verslepingskarakteristieken van de
stof en de productie-installatie (wandadhesiefactoren, enzovoort)
het aantal benodigde spoelcharges, de bestemming van de
spoelcharges, enzovoort)
Onverminderd de overige wetgeving vloeit uit
de Kaderwet Diervoeders (artikel 36) voort, dat op of
aan de verpakking van, dan wel op het begeleidend document bij
het proefvoeder dient te worden vermeld, dat het proefvoeder
voor de betreffende diersoort/-categorie betreft.
Let op:
- ook de Arbowetgeving en de Wet op de Dierproeven zijn van
toepassing; bij het verlenen van een proefontheffing wordt er van
uitgegaan, dat aan de van toepassing zijnde elementen uit deze en
andere relevante wetgevingen is voldaan
- De aanvrager van de proefontheffing is zelf verantwoordelijk
voor het opzetten van een wetenschappelijk verantwoorde proef die
tevens voldoet aan de criteria die gesteld worden in de
Richtsnoeren. In het kader van een aanvraag voor proefontheffing
wordt hierover als zodanig door Bureau Diergeneesmiddelen geen
enkele uitspraak gedaan. Aanvragers die hierover advies willen,
worden door het Bureau Diergeneesmiddelen doorverwezen naar
deskundige instituten, die dergelijke diensten tegen betaling
kunnen leveren. Op alle gegevens die in het kader van deze
proefontheffing worden uitgewisseld, rust
geheimhoudingsplicht.