milieubeoordelingen
Diergeneesmiddelen moeten veilig zijn voor het milieu. Dit staat
sinds 1995 in artikel 4 van de Diergeneesmiddelenwet (DGW). De
Europese Richtlijn 92/18/EEC was destijds de aanleiding voor de
implementatie van dit criterium.
Implementatie
Bij iedere aanvraag voor een handelsvergunning van een
veterinair product moet de veiligheid voor het milieu worden
aangetoond. Dit kan worden bepaald door middel van een
milieubeoordeling.
Het wetenschappelijk comité van de EMA voor geneesmiddelen
voor dieren (CVMP) heeft in 1997 bepaald dat deze milieubeoordeling
moet worden uitgevoerd in twee fases.
In overleg met het bedrijfsleven heeft de overheid afgesproken
dat
een Fase I beoordeling zou worden uitgevoerd van alle nationale
diergeneesmiddelen die in 1997 op de markt waren en van de middelen
waarvoor tussen 1997 en 2003 een nationale registratie werd
aangevraagd. Deze Fase I beoordeling is uitgevoerd conform de toen
geldende CVMP-richtsnoeren.
Al in januari 2003 zou Bureau Diergeneesmiddelen de Fase II gegevens opvragen. Omdat
VICH-richtsnoeren in de maak waren en deze richtsnoeren in 2003
nog niet gereed waren, is mede op verzoek van het bedrijfsleven
gewacht. Sinds oktober 2005 is de
VICH Richtsnoer Fase II van kracht. Het CVMP publiceerde in
2007 een richtsnoer met een technische uitwerking van de
VICH-richtsnoer.
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)
wil nu nadere uitvoering geven aan de Fase II beoordeling. Hiervoor
heeft het Bureau Diergeneesmiddelen (BD) de opdracht gekregen om
voor alle geregistreerde diergeneesmiddelen waarvoor deze
beoordeling noodzakelijk is, de benodigde gegevens op te vragen. De
registratiehouders krijgen een schriftelijk verzoek om voor de
betreffende middelen de gegevens in te dienen via een aanvraag voor
een type II wijziging.